_W1195.png)
Op maandag 11 januari 2010 werd in de ijskoude hal van het ministerie van VROM de tentoonstelling Intense Laagbouw geopend. Een interessant overzicht van 52 Intense Laagbouwplannen voor dertig locaties in de stad Groningen. En bovenal een hartverwarmend en ijzersterk initiatief van Groningen om de dogmatische discussie over bouwen in de bestaande stad vlot te trekken. Daarover bestaat sinds jaar en dag een patstelling. Overheden en ontwerpers willen graag veel hoogstedelijk bouwen. Private investeerders wijzen op de woonconsument die in doorsnee grondgebonden wil wonen. De 52 Groningse plannen combineren stedelijkheid met de wens van grondgebonden wonen. Het ene plan is daarin overtuigender dan het andere, maar het lijdt geen twijfel dat stedelijk bouwen veel interessante varianten kent.
De tentoonstelling is door rijksbouwmeester Liesbeth van de Pol van Groningen naar Den Haag gehaald, omdat deze uitstekend aansluit bij haar initiatieven rondom compact stedelijk bouwen. Zoals het ook onlangs verschenen boekje Prachtig Compact NL deel 1. Het bevat de visie van het College van Rijksadviseurs, maar is vooral interessant vanwege de ‘ontwerprecepten’. Binnenkort verschijnt deel twee, en dat wordt een staalkaart van inspirerende projecten. Al dit goede nieuws werd op 11 januari ook nog aangevuld met een debat. Helaas kwamen daarin toch weer veel knelpunten en dogma’s naar voren. Over de projectontwikkelaars die liever in de wei bouwen. Over de noodzaak van een heffing op suburbaan bouwen om de gewenste stedelijkheid te kunnen financieren. Over de auto die tot onbetaalbare stallingsoplossingen noodzaakt. Over projectontwikkelaars die de grond zo duur hebben gemaakt. Over de absolute urgentie van verdichten. Allemaal ingrediënten voor een ruimtelijke verdichtingsstrategie gebaseerd op bestraffen, beboeten en verbieden.
Ik wil graag een ander vertrekpunt nemen. Een belangrijke trend in onze demografische ontwikkeling is die van de re-urbanisatie. Waar grote delen van ons land richting krimp gaan, blijven de grotere steden groeien, ook op de langere termijn. Daar ligt een belangrijk aanknopingspunt. Tot nu toe zijn de steden niet goed in staat geweest om die terugkerende stedelingen en potentiële stadsbewoners goed te bedienen. Appartementen blijken niet altijd het antwoord op de stedelijke woonvraag. Woonvisies gaan nog steeds vooral over aantallen en stadsvisies hebben vaak een sociaal-economische insteek.
Het zijn manifestaties van de oude woningmarkt waar het aanbod de dienst kon uitmaken. Maar die tijden zijn niet meer. De hoofdvraag voor de komende tijd is wat mij betreft hoe Nederlandse huishoudens willen leven en hoe wij die wensbeelden kunnen accommoderen. Niet alleen in woningen maar ook in leefmilieus, in voorzieningen en in openbare ruimten, in de stad en buiten de stad. Goed inzicht in hoe wij willen leven gaat ons helpen om tot gedifferentieerder en aantrekkelijker stedelijk, suburbaan of landelijk leven te komen dan tot nu toe werd aangeboden. Het blootleggen van die nieuwe woonvraag is inhoudelijk en onderzoekstechnisch een uitdaging van formaat. Maar wel een uitdaging waarmee we aan de slag moeten. Want het legt de basis voor de strategie van het verleiden. En die is meestal effectiever dan de strategie van bestraffen, beboeten en verbieden. Nu de woonconsument met geen stok meer in beweging is te krijgen, wordt toch een keer tijd om te vragen wat voor wortel hij zou willen. Intense laagbouw? Zou heel goed kunnen. Eerst maar eens intens doorvragen.