.jpg)
Waterbeheerder hebben een zorgplicht op het gebied van veiligheid. ‘Ze kunnen die zorgplicht niet afschuiven op iemand anders’, stelt Stefan Kuks, als bestuurslid van de Unie van Waterschappen betrokken bij het Actieprogramma Water en Ruimte.’Maar je kunt wel bedenken dat een particuliere grondeigenaar blauwe diensten levert, ten gunste van waterveiligheid. Bij doe-het-zelf denken we als waterbeheerders dus vooral aan creativiteit op het gebied van synergie en meervoudig grondgebruik, waarbij bijvoorbeeld particulieren zelf met ideeën komen hoe zij waterberging kunnen realiseren in relatie tot hun eigen grond of eigen ruimtelijke belangen’.
Het Actieprogramma Water en Ruimte wil van waterschappen 'krachtige spelers in gebiedsontwikkeling' maken. Waarom was dat nodig?
‘Waterschappen moeten ruimte voor water maken, omdat we in Nederland het water niet alleen willen keren maar ook accommoderen. Voor die transitie in het waterbeheer is zo'n vijftien jaar geleden (1996-2000) al heel duidelijk gekozen. Waterschappen kunnen dat alleen in samenspel met de ruimtelijke ordening. Het RO-spoor is in handen van provincies en gemeenten. In 2002 is de watertoets ingevoerd om ruimtelijke plannen te toetsen op consequenties voor waterbergingsruimte. Deze toets heeft ertoe geleid dat waterschappen en provincies/gemeenten intensiever samen optrekken in het garanderen van bergingsruimte voor situaties met extreme regenval en wateroverlast. Niet alleen wordt er aan het eind van het RO-proces getoetst op ruimtelijke consequenties voor waterberging ("aan de achterkant"). De watertoets heeft er juist toe geleid dat steeds meer "aan de voorkant van het RO-proces" samen wordt verkend hoe al in het begin van het planproces de wateropgave als een soort programma van eisen kan worden gehanteerd. Uiteindelijk gaat het erom dat waterschappen en gemeenten binnen het kader van het omgevingsbeleid van de provincies voortdurend met elkaar in overleg blijven om ook gaande het RO-proces steeds maatwerk te kunnen leveren. Enerzijds willen waterschappen meedenken met ruimtelijk ordenaars. Anderzijds moeten waterschappen ook zelf in de uitvoering van het waterbeheer ruimtelijke berging voor water realiseren, dor bijvoorbeeld retentiegebieden aan te leggen of waterlopen te verruimen en aldus de bergingscapaciteit te vergroten. Denk bijvoorbeeld aan de Maaswerken en andere Ruimte voor de Rivier projecten zoals de bypasses langs de IJssel. Ook dat gebeurt altijd in samenspel tussen waterbeheerders en ruimtelijke ordenaars. Waterschappen zijn daarmee actieve teamspelers in gebiedsontwikkeling geworden en willen dat krachtig doen door steeds het waterbelang goed te behartigen. De focus is wel steeds dat het een teamspel moet zijn gericht op constructieve samenwerking in vitale coalities. In de titel van het actieprogramma moet het woord spelers dus als teamspelers worden gelezen.’
Meerlaagsveiligheid spreekt het Nirov aan omdat het uitgaat van een méér integrale benadering van waterveiligheid en ruimtelijke inrichting. Wie is volgens u primair aan zet voor de 2e laag? En indien dat niet de waterschappen zijn, wat is dan de rol van waterschappen in die 2e laag?
‘Waterbeheerders (Rijkswaterstaat en waterschappen) zijn verantwoordelijkheid voor uitvoering hoogwaterbeschermingsprogramma en veiligheid. Daar zijn enorme kosten mee gemoeid de komende 10 tot 15 jaar. Om het betaalbaar te houden wordt ingezet op meer doelmatigheid, bijvoorbeeld met behulp van sensortechnologie zwakke plekken opsporen en alleen daar vervangingsinvesteringen doen, in plaats van per strekkende meter dijk (het IJkdijk-project is een proefopstelling hiervoor). Meerlaagse veiligheid gaat over koppeling van veiligheid en dijkversterking met andere ruimtelijke functies (kostenbesparing door synergie, werk met werk maken) en over betere inpassing van dijken in de ruimtelijke omgeving. Zie meer hierover op http://deltaproof.stowa.nl/Upload/Deltaproof/deltafacts/Deltafacts_inleiding.pdf
De betrokkenheid van de waterschappen is er vanaf het begin doordat er bij meerlaagse veiligheid steeds vanuit het veiligheidsconcept wordt geredeneerd, en daarvoor is het waterschap verantwoordelijk. Maar de aanleiding voor een kans om de tweede laag vorm te geven kan best vanuit een andere ruimtelijke functie komen. Daardoor is niet te zeggen wie het eerste aan zet is, en dat is ook de essentie van samenwerking tussen water en ruimte: door voortdurend met elkaar te communiceren over wederzijdse agenda's weten waterbeheerders en ruimtelijk ordenaars van elkaar wat ze willen en kunnen ze met elkaar kansen creëren voor synergie.’
Doe-het-zelf staat onder andere voor zelforganisatie en zelfredzaamheid. Ziet u in de toekomst een rol in waterveiligheid voor andere partijen dan de huidige waterbeheerders? Daarbij denken wij aan de inrichting van gebieden en percelen en zelfredzaamheid bij rampen.
‘Waterbeheerders hebben als overheidsorganen een zorgplicht op het gebied van veiligheid. Die kunnen ze niet afschuiven op iemand anders, je bent immers een publieke organisatie die ten dienste staat van een publiek belang, namelijk veiligheid. Wel kunnen waterbeheerders in de uitvoering op heel verschillende manieren optrekken met andere partijen. Als je niet alleen denkt aan veiligheid maar ook aan preventie van wateroverlast, dan hoeft dat niet alleen via aanleg van keringen, maar kan dat ook via het creëren van bergingsruimte, hetzij via retentiegebieden die een permanente inundatiebestemming hebben, hetzij door een inundatiebestemming als functie te stapelen bovenop een andere ruimtelijke functie (meervoudig grondgebruik). In het laatste geval kun je zeggen dat er door de grondeigenaar een ‘blauwe dienst’ wordt geleverd. Bij doe-het-zelf denken we als waterbeheerders dus vooral aan creativiteit op het gebied van synergie en meervoudig grondgebruik, waarbij bijvoorbeeld particulieren zelf met ideeën komen hoe zij waterberging kunnen realiseren in relatie tot hun eigen grond of eigen ruimtelijke belangen.’
Zouden waterschappen een grotere rol moeten nemen in voorlichting aan burgers over hun zelfredzaamheid bij wateroverlast en overstromingen?
‘Jazeker. De zorgplicht van de overheid biedt veiligheid en preventie van wateroverlast tot een bepaald niveau. Er blijven altijd risico's die de overheid niet kan uitsluiten, simpelweg omdat het uitsluiten daarvan teveel maatschappelijke kosten zou vergen. We leven dus in een samenleving die bewust bepaalde risico's accepteert. Bij extreme situaties op het gebied van regenval en storm kunnen vervelende gevolgen niet altijd worden voorkomen. Waterbeheerders moeten dus uitleggen aan burgers dat deze risico's bestaan, dat bij het optreden van deze risico's waterbeheerders via crisisbestrijding de gevolgen zoveel mogelijk in goede banen zullen leiden samen met de Veiligheidsregio, maar dat je ook als burger zelf moet nadenken hoe je je tegen extreme situaties kunt wapenen. In de ruimtelijke ordening kan hiervoor aandacht zijn: als je bijvoorbeeld een huis bouwt kun je er rekening mee houden dat een kelder of souterrain bij extreme regenval niet zomaar kan overlopen. Via groene daken, waterpleinen en ondergrondse bergingskelders (voorbeelden in Rotterdam) wordt geprobeerd extreme regenval in stedelijk gebied op te vangen en vertraagd weg te laten lopen. De Potsdamer Platz in Berlijn laat een prachtig voorbeeld zien van een grootschalige regenwaterbuffer voor het Daimler Benz gebouw.’
.jpg)
Het Actieprogramma Water en Ruimte wordt uitgevoerd door Nirov en Curnet in opdracht van het Ministerie van I en M en de Unie van Waterschappen. Stefan Kuks heeft als bestuurslid van de Unie van Waterschappen het Actieprogramma Water en Ruimte ‘in portefeuille’. Het Actieprogramma Water en Ruimte is sponsor en mede-organisator van de Dag van de Ruimte 2011. Stefan Kuks wordt op de Dag van de Ruimte geïnterviewd tijdens de ‘openingsdans’ en is voorzitter aan één van de thematafels.